HomeLerenWerkwoordstijden — Tegenwoordig en Verleden
📝 Taal & Grammatica

Werkwoordstijden — Tegenwoordig en Verleden

Leer de belangrijkste werkwoordstijden van het Nederlands.

Tegenwoordige tijd

De tegenwoordige tijd (onvoltooid tegenwoordige tijd, OTT) beschrijft wat nu gebeurt. "Ik loop naar school." Het werkwoord staat in de basisvorm.

Verleden tijd

De verleden tijd (onvoltooid verleden tijd, OVT) beschrijft wat vroeger gebeurde. "Ik liep naar school." Regelmatige werkwoorden krijgen -te of -de: ik maakte, ik speelde. Onregelmatige veranderen: ik liep, ik at.

Voltooid

De voltooid tegenwoordige tijd (VTT) gebruik je met hebben of zijn + voltooid deelwoord. "Ik heb gelopen." De voltooid verleden tijd (VVT): "Ik had gelopen." Deze tijden beschrijven iets wat al klaar is.

🎮 Leer spelend verder!

Oefen met onze gratis educatieve spellen en maak kennis met taal & grammatica.

Naar de spellen →