Tegenwoordige tijd
De tegenwoordige tijd (onvoltooid tegenwoordige tijd, OTT) beschrijft wat nu gebeurt. "Ik loop naar school." Het werkwoord staat in de basisvorm.
Verleden tijd
De verleden tijd (onvoltooid verleden tijd, OVT) beschrijft wat vroeger gebeurde. "Ik liep naar school." Regelmatige werkwoorden krijgen -te of -de: ik maakte, ik speelde. Onregelmatige veranderen: ik liep, ik at.
Voltooid
De voltooid tegenwoordige tijd (VTT) gebruik je met hebben of zijn + voltooid deelwoord. "Ik heb gelopen." De voltooid verleden tijd (VVT): "Ik had gelopen." Deze tijden beschrijven iets wat al klaar is.
🎮 Leer spelend verder!
Oefen met onze gratis educatieve spellen en maak kennis met taal & grammatica.
Naar de spellen →📖 Lees ook
Werkwoorden — Wat zijn Werkwoorden?
Leer wat werkwoorden zijn en hoe je ze herkent in zinnen.
Zelfstandige Naamwoorden
Leer wat zelfstandige naamwoorden zijn en hoe je ze herkent.
Lidwoorden — De, Het en Een
Leer wanneer je de, het of een gebruikt en hoe je het onthoudt.
Bijvoeglijke Naamwoorden
Leer wat bijvoeglijke naamwoorden zijn en hoe je ze gebruikt.